![]() |
| Nikolaj Rjorich, Gezegende ziel (1924). |
'Ieder geeft, wat hij heeft. De soldaat geeft zijn kracht, de koopman zijn waren, de leraar zijn leer, de boer zijn rijst, de visser zijn vis.'
'Heel goed. En wat kan jij dan wel geven? Wat heb jij eigenlijk geleerd, wat kun je?'
'Ik kan denken. Ik kan wachten. Ik kan vasten.'
'Is dat alles?'
'Ja, ik geloof het wel!'
Wat kun je daar nu mee doen? Dat vasten bijvoorbeeld - waar is dat goed voor?'
'Het is heel goed bruikbaar, mijnheer. Wanneer je namelijk niets te eten hebt, is vasten het verstandigste wat je kunt doen. Als Siddhartha bij voorbeeld niet had leren vasten, zou hij vandaag nog een of andere betrekking moeten vinden, bij u, of waar dan ook, want de honger zou hem daartoe dwingen. Maar nu hoeft Siddhartha zich niet te haasten, ongeduld kent hij niet, nooit hoeft hij iets noodgedwongen te doen, lange tijd kan hij lachend de honger het hoofd bieden. Dat doe je met vasten mijnheer.'
Hermann Hesse, Siddhartha (1922).






