Albert Camus: liefde en huwelijk

Josep de Togores, Koppel op het strand (1922).
's Avonds kwam Marie mij halen en zij vroeg mij of ik met haar wilde trouwen. Ik zei dat het mij gelijk bleef en dat wij het konden doen wanneer zij het wilde. Toen wilde zij weten of ik van haar hield. Ik antwoordde, zoals ik het reeds eerder had gedaan, dat het niets uitmaakte, maar dat ik ongetwijfeld niet van haar hield. 'Waarom wil je dan met mij trouwen?' zei zij. Ik verklaarde haar dat het van geen enkel belang was en dat wij, als zij het wenste, best konden trouwen. Trouwens, zij had het gevraagd en ik had niets anders gedaan dan ja gezegd. Daarna merkte zij op dat het huwelijk iets ernstigs was. Ik antwoordde: 'Welneen'. Een ogenblik zweeg zij en zag mij in stilte aan. Daarna sprak zij weer. Zij wilde alleen maar weten of ik hetzelfde voorstel ook zou hebben aangenomen, wanneer het van een andere vrouw kwam, voor wie ik dezelfde gevoelens zou koesteren. Ik zei: 'Natuurlijk.' Toen vroeg zij zich af of zij van mij hield, en daar kon ik niet over oordelen. Na weer een ogenblik gezwegen te hebben mompelde zij dat ik vreemd was, maar dat zij zeker daarom van mij hield en dat zij om dezelfde redenen misschien eens een hekel aan mij zou krijgen. Aangezien ik zweeg, omdat ik er niets aan had toe te voegen, greep zij mij met een glimlach bij de arm en verklaarde dat zij met mij wilde trouwen. Ik antwoordde dat wij het zouden doen, zodra zij het wou. Daarna sprak ik haar over het voorstel van de baas en Marie zei mij dat zij Parijs graag zou willen leren kennen. Ik vertelde haar dat ik er eens gewoond had en zij vroeg mij hoe het er was. Ik zei haar: 'Het is er smerig. Er zijn duiven en donkere binnenplaatsen. De mensen hebben een witte huidkleur.'

ALBERT CAMUS, De vreemdeling (1942).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Hermann Hesse: waar is vasten goed voor?

Nikolaj Rjorich, Gezegende ziel (1924). 'Neem me niet kwalijk dat ik 't je vraag, maar wanneer je nu helemaal niets bezit, wat ...