Posts tonen met het label roman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label roman. Alle posts tonen

Hermann Hesse: waar is vasten goed voor?

Nikolaj Rjorich, Gezegende ziel (1924).
'Neem me niet kwalijk dat ik 't je vraag, maar wanneer je nu helemaal niets bezit, wat wil je dan geven?'
'Ieder geeft, wat hij heeft. De soldaat geeft zijn kracht, de koopman zijn waren, de leraar zijn leer, de boer zijn rijst, de visser zijn vis.'
'Heel goed. En wat kan jij dan wel geven? Wat heb jij eigenlijk geleerd, wat kun je?'
'Ik kan denken. Ik kan wachten. Ik kan vasten.'
'Is dat alles?'
'Ja, ik geloof het wel!'
Wat kun je daar nu mee doen? Dat vasten bijvoorbeeld - waar is dat goed voor?'
'Het is heel goed bruikbaar, mijnheer. Wanneer je namelijk niets te eten hebt, is vasten het verstandigste wat je kunt doen. Als Siddhartha bij voorbeeld niet had leren vasten, zou hij vandaag nog een of andere betrekking moeten vinden, bij u, of waar dan ook, want de honger zou hem daartoe dwingen. Maar nu hoeft Siddhartha zich niet te haasten, ongeduld kent hij niet, nooit hoeft hij iets noodgedwongen te doen, lange tijd kan hij lachend de honger het hoofd bieden. Dat doe je met vasten mijnheer.'

Hermann Hesse, Siddhartha (1922).

Albert Camus: liefde en huwelijk

Josep de Togores, Koppel op het strand (1922).
's Avonds kwam Marie mij halen en zij vroeg mij of ik met haar wilde trouwen. Ik zei dat het mij gelijk bleef en dat wij het konden doen wanneer zij het wilde. Toen wilde zij weten of ik van haar hield. Ik antwoordde, zoals ik het reeds eerder had gedaan, dat het niets uitmaakte, maar dat ik ongetwijfeld niet van haar hield. 'Waarom wil je dan met mij trouwen?' zei zij. Ik verklaarde haar dat het van geen enkel belang was en dat wij, als zij het wenste, best konden trouwen. Trouwens, zij had het gevraagd en ik had niets anders gedaan dan ja gezegd. Daarna merkte zij op dat het huwelijk iets ernstigs was. Ik antwoordde: 'Welneen'. Een ogenblik zweeg zij en zag mij in stilte aan. Daarna sprak zij weer. Zij wilde alleen maar weten of ik hetzelfde voorstel ook zou hebben aangenomen, wanneer het van een andere vrouw kwam, voor wie ik dezelfde gevoelens zou koesteren. Ik zei: 'Natuurlijk.' Toen vroeg zij zich af of zij van mij hield, en daar kon ik niet over oordelen. Na weer een ogenblik gezwegen te hebben mompelde zij dat ik vreemd was, maar dat zij zeker daarom van mij hield en dat zij om dezelfde redenen misschien eens een hekel aan mij zou krijgen. Aangezien ik zweeg, omdat ik er niets aan had toe te voegen, greep zij mij met een glimlach bij de arm en verklaarde dat zij met mij wilde trouwen. Ik antwoordde dat wij het zouden doen, zodra zij het wou. Daarna sprak ik haar over het voorstel van de baas en Marie zei mij dat zij Parijs graag zou willen leren kennen. Ik vertelde haar dat ik er eens gewoond had en zij vroeg mij hoe het er was. Ik zei haar: 'Het is er smerig. Er zijn duiven en donkere binnenplaatsen. De mensen hebben een witte huidkleur.'

ALBERT CAMUS, De vreemdeling (1942).

Harry Mulisch: de liefde van een vrouw

Edvard Munch, Madonna, 1894.
Jij hebt mij daar uitgehaald. Dat is niet waarom ik van je hou, maar zonder jou had ik daar nog steeds gezeten. Ik hou van je, weet je dat? Nog nooit heb ik dat tegen iemand gezegd. Ik zal altijd van je houden, zul je dat nooit vergeten? Ook als we ruzie hebben, en als je zulke verschrikkelijke dingen tegen me zegt, dan nog heeft dat niets te maken met mijn houden van jou. Dat zit veel dieper. Ik kan niet zeggen, hoe diep.

HARRY MULISCH, Twee vrouwen, 1975.

Sabato: de brief van Maria

John William Waterhouse, Miranda, 1916.
Ik heb drie rare dagen achter de rug; door de zee, het strand en de wegen kwamen herinneringen aan andere tijden bij me boven. Niet alleen beelden; ook stemmen, kreten en lange stiltes uit vervlogen dagen. Het is vreemd, maar leven is het creëren van toekomstige herinneringen; op dit moment, hier aan zee, weet ik dat ik de kiem leg van heel precieze herinneringen, die me ooit melancholiek en wanhopig zullen stemmen. 
   Daar is de zee, eeuwig en woest. Mijn tranen van toen, zinloos; even zinloos mijn wachten op het verlaten strand, hardnekkig turend naar de zee. Heb je deze herinnering van mijn geraden en geschilderd of heb je de herinnering geschilderd van velen zoals jij en ik?
   Maar nu komt jouw gestalte ertussen: je staat tussen de zee en mij. Mijn ogen ontmoeten jouw ogen. Je bent stil en een beetje verdrietig, je kijkt me aan alsof je om hulp vraagt.
   MARÍA

ERNESTO SABATO, De tunnel, 1948. 

Hermann Hesse: waar is vasten goed voor?

Nikolaj Rjorich, Gezegende ziel (1924). 'Neem me niet kwalijk dat ik 't je vraag, maar wanneer je nu helemaal niets bezit, wat ...